Menu
Geduld

Dat (ook) bij gerechtelijke procedures geduld een schone zaak is, zal denk ik inmiddels wel algemeen bekend zijn. Indien de voortgang ook nog eens wordt beïnvloed door de spreekwoordelijke “ambtelijke molens” vergt dit wel heel veel van het uithoudingsvermogen van de rechtzoekende, zo leert het volgende geval uit mijn praktijk;

In februari 2012 werd aan cliënt een subsidie voor “Jonge Landbouwers”  toegekend. Doel van deze subsidie was om jonge agrarische ondernemers -die doorgaans financieel “zwaar” zitten vanwege de overname/aankoop van het bedrijf- te stimuleren om toch te investeren in duurzame bedrijfsmiddelen. Een voorwaarde voor uitkering van de subsidie was dat de ondernemer specifiek met het oog op die investering een financiering bij de bank had moeten aangaan om de uitgaven te kunnen voorfinancieren. Immers de subsidie was niet bedoeld voor agrariërs die over voldoende eigen middelen konden beschikken. Om aan deze voorwaarde te voldoen had cliënt met zijn bank om praktische redenen afgesproken de vanwege de aankoop al bestaande financiering aan te passen in die zin dat hij gedurende een bepaalde periode werd ontheven van zijn aflosverplichtingen. Dat geld kon hij dan nu gebruiken om duurzaam te investeren. Hoe eenvoudig kan het zijn. Na zijn bedrijf aldus te hebben “verduurzaamd”, verzocht cliënt in december 2014 de minister om vaststelling en uitkering van de toegekende subsidie. In juli 2015 werd de subsidie tot zijn grote schrik vastgesteld op nihil. Immers -zo oordeelde de minister- hij had verzuimd een nieuwe financieringsovereenkomst af te sluiten.

“Kan niet waar zijn”, dacht cliënt (en ondergetekende) en hij ging in beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Kennelijk heeft deze gerechtelijke instantie veel zaken te behandelen. Immers eerst 15 (!) maanden later kon de zitting plaatsvinden. Op die regenachtige novemberdag in 2016 togen cliënt en ondergetekende gezamenlijk vol goede moed naar Den Haag. Vreemd genoeg bleek er geen vertegenwoordiger van de minister te zijn verschenen. Na wat telefoontjes van de griffie met het ministerie kwam met een vertraging van meer dan een uur dan toch iemand opdagen. De behandelend ambtenaar was vergeten de zitting in zijn agenda te zetten en had nu iets anders te doen….

“Maar bent u dan wel voldoende op de hoogte van de zaak?”, vroeg de rechter zich enigszins bezorgd hardop af. Na enkele inhoudelijke vragen te hebben gesteld constateerde de rechter dat dit klaarblijkelijk niet het geval was en besloot dat de behandeling van de zaak moest worden opgeschort. Leg dat als advocaat maar eens uit aan je cliënt. Op de terugreis mocht ik dan ook kennisnemen van een heldere analyse over de deplorabele toestand waarin de overheid en het rechtssysteem verkeren. Na een klacht over de gang van zaken bij het ministerie te hebben ingediend ontving cliënt niet alleen “welgemeende excuses”, maar ook een volledige vergoeding van zijn in verband met deze zitting gemaakte advocaatkosten. Een pleister(tje) op de wonde.

Enfin, weer 13 maanden later volgde eind december 2017 dan toch het verlossende woord van het College. Het besluit van de minister werd vernietigd. In januari van dit jaar werd de in 2012 al toegekende subsidie alsnog volledig vastgesteld en uitgekeerd, met vergoeding van rente en proceskosten. Eind goed al goed dus. Dat de “Jonge Landbouwer”  inmiddels “midlifer”  was geworden nam hij maar op de koop toe.

Geplaatst op door Aart Hofman in Bestuursrecht