Menu
Een niet nagekomen verrekenbeding

Een veel voorkomende bepaling in huwelijkse voorwaarden is dat de overgespaarde inkomsten elk jaar worden verrekend tussen de partners. In de praktijk wordt aan een verrekenbeding vaak geen uitvoering gegeven. In dat geval is art. 1:141 van het Burgerlijk Wetboek van belang. Lid 1 van dit artikel bepaalt dat indien niet is verrekend de verplichting tot verrekening blijft bestaan, alsmede dat deze verrekening zich uitstrekt over het saldo ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet is verrekend alsmede over de vruchten daarvan.

 

Inkomsten of vermogen

Voor verrekening van een vermogensvermeerdering is evenwel slechts plaats wanneer deze is terug te voeren op te verrekenen inkomsten of vermogen (Hoge Raad 19 januari 1996 NJ 1996 nr. 617 en Hoge Raad 2 september 2005 NJ 2006 nr. 29). Indien de ene partner om te investeren geld leent van de andere partner is dit investeren geen beleggen met niet verrekende overgespaarde inkomsten en kan er dan ook geen sprake zijn van verrekening van de waardestijging van de belegging met de geleende gelden.

 

Vervalbeding

Artikel 141 is in beginsel regelend recht. Dit betekent dat in de huwelijkse voorwaarden een vervalbeding kan worden opgenomen bijvoorbeeld inhoudende dat het vorderen verrekening vervalt drie jaar na het desbetreffende kalenderjaar. Een dergelijk vervalbeding is aldus niet nietig vanwege strijd met dwingend recht. Echter een  beroep op het vervalbeding moet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar worden geacht tenzij blijkt van omstandigheden die een beroep op het beding rechtvaardigen. In Hoge Raad 23 juni 2000 NJ 2001 nr. 347 is beslist dat van dergelijke omstandigheden sprake was. In de uitspraak van de Hoger Raad van 15 september 2006 NJ 2007 nr. 217 is beslist dat een vervalbeding met betrekking tot vorderingsrechten in verband met de in de huwelijkse voorwaarden geregelde draagplicht voor de kosten van de huishouding niet nietig is. Dit houdt in dat indien één partij meer aan de kosten van de huishouding heeft bijgedragen tijdens het huwelijk dan hetgeen overeenkomt met de huwelijkse voorwaarden en hij uit dien hoofde een vordering op de wederpartij heeft gekregen een beroep op een vervalbeding in beginsel wel aanvaardbaar moet worden geacht.

 

Verjaring

In beginsel is de algemene verjaringstermijn van vijf jaar ex. art. 3:307 BW van toepassing. Deze termijn van vijf jaar treedt evenwel in vanaf de dag waarop de vordering opeisbaar is geworden. De Hoge Raad heeft in haar uitspraak van 2 december 2011 NJ 2012 nr. 173 vastgesteld dat een in een finale verrekenplicht omgezette periodieke verrekenplicht opeisbaar wordt op het moment waarop het verzoek tot echtscheiding wordt ingediend.

 

Wettelijke rente

De echtgenoot die een bedrag aan de ander moet betalen is hierover de wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment waarop hij in verzuim is. Hiervoor dient de vordering opeisbaar te zijn. De vordering tot verrekening is opeisbaar vanaf het moment waarop zij ontstaat. Indien in de huwelijkse voorwaarden wordt bepaald vanaf welk moment de vordering tot verrekening opeisbaar is, is daarvoor geen voorafgaande schriftelijke ingebrekestelling vereist.

 

Vermoeden

In art. 1:141 lid 3 BW staat een bewijsregel voor zover bij beëindiging van het huwelijk moet worden vastgesteld dat niet aan de verrekenplicht is voldaan. In art. 1:141 lid 3 BW staat vermeld dat indien aan het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid niet is voldaan het alsdan aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Behoudens tegenbewijs moet er derhalve alsdan in beginsel van worden uitgegaan dat het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Bedoeld tegenbewijs zal overigens dikwijls wel te leveren zijn. Zo zal men bijvoorbeeld bewijs kunnen leveren indien er geld is geleend en geïnvesteerd in een aan één partner toebehorend onroerend goed en dit voor grote waardevermeerdering heeft gezorgd, indien een partner bij het aangaan van het huwelijk al een behoorlijk vermogen heeft meegebracht. In de uitspraak 18 april 2003 NJ 2003 nr. 441 heeft de Hoge Raad gezegd dat voorhuwelijks vermogen niet in de verrekening wordt betrokken.

 

Verdiencapaciteit

In de uitspraak 2 maart 2001 NJ 2001 nr. 584 heeft de Hoge Raad beslist dat de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat de ene partner terzake van verrekening niet meer krijgt dan hetgeen de bedrijfsvoerende partner met behulp van het bedrijfsvermogen kan financieren.

 

 

Geplaatst op door Reijer Wolleswinkel in Personen- en familierecht